Dienstverlening voor heemtuin, schooltuin en voedselbos

Welkom » Diensten » Kennisdeling » Terminologie ontrafeld

Terminologie ontrafeld

Gepubliceerd op 7 januari 2021 om 15:06

In communicatie over het behoud van biodiversiteit wordt veel gesproken over het belang van inheemse soorten. Termen als inheems, wild en autochtoon lijken veel op elkaar, maar betekenen ze ook hetzelfde? 

Definities

  • Wild (of Inheems): planten die binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied voorkomen. Wilde planten kunnen een autochtone of uitheemse oorsprong hebben.
  • Gecultiveerd: planten die zijn ontstaan door menselijke bewerking van wilde planten (kwekers en veredelaars).
  • Autochtoon: planten die sinds de laatste ijstijd in Nederland op eigen kracht groeien, zonder directe invloed van de mens. Autochtone planten zijn altijd wild. Het tegenovergestelde van autochtoon is uitheems.
  • Uitheems: wilde soorten die door mensen uit andere verspreidingsgebieden naar Nederland zijn gebracht. 
  • Exotensoorten die niet van nature in ons land voorkomen, maar door toedoen van de mens in de inheemse natuur terecht zijn gekomen en zich hier kunnen handhaven. Exoten zijn noch autochtoon, noch inheems.

Wilde planten: Muskuskaasjeskruid, Koninginnekruid en Boerenwormkruid

Wild versus gecultiveerd

In oorsprong zijn alle planten wild; ze zijn ooit op een bepaalde plek in de natuur ontstaan. Door menselijk handelen (landbouw, veeteelt, begrazing, bebouwing en ontbossing) zijn veel van de oorspronkelijk aanwezige wilde, autochtone plantensoorten verdwenen. Alleen de meest taaie soorten overleefden en zijn er nog altijd. Door deze natuurlijke selectie zijn wilde planten zeer competitief: ze kiemen en groeien snel, zaaien zich massaal uit en vormen ondoordringbare netwerken van wortels en uitlopers. Ze hebben maar één doel: zich verspreiden en vermeerderen. Juist door deze eigenschappen worden wilde planten vaak door ons bestempeld als 'onkruid'. 

Gecultiveerde planten zijn ontstaan door de bewerking van kwekers en veredelaars, die wilde soorten gekruist hebben, op zoek naar mooiere kleuren, zoetere smaken, grotere bloemen of een bepaalde resistentie. Door die cultivering zijn andere eigenschappen echter minder sterk geworden of zelfs verloren gegaan. Soms zijn gecultiveerde planten dusdanig genetisch veranderd, dat insecten en andere dieren die van bepaalde eigenschappen van wilde planten afhankelijk zijn, erdoor dreigen uit te sterven.  

Autochtoon versus uitheems 

Door menselijk handelen zijn veel autochtone bomen en struiken verdwenen. Hiervoor in de plaats werden dezelfde soorten uit andere delen van Europa geïmporteerd en aangeplant. Tegenwoordig is nog slechts 7% van de bomen en struiken in ons land van autochtone oorsprong.

Het is belangrijk om het aandeel autochtone bomen en struiken te verhogen. Uitheemse bomen en struiken kunnen weliswaar van dezelfde soort zijn als hun autochtone tegenhangers, maar zijn andere klimatologische omstandigheden gewend, hebben een ander groeiritme en een andere genenstructuur. Deze soorten zijn daardoor vatbaarder voor ziekten en aantastingen, omdat de Nederlandse ziekten en klimatologische omstandigheden in andere streken niet of in mindere mate voorkomen. 

Door hun afwijkende groei- en bloeitijd kunnen uitheemse bomen en struiken daarnaast het ecosysteem verstoren: inheemse insectensoorten zijn namelijk ingesteld op een ‘Nederlandse’ bloeiperiode. Zo bloeit de sleedoorn uit zuidelijke regio’s vroeger dan zijn Nederlandse evenknie. Sommige vlindersoorten planten zich echter volgens de Nederlandse 'late' bloeikalender voort, waardoor er voor het jonge nageslacht te weinig voedsel is. Deze vlindersoorten dreigen daarom uit ons land te verdwijnen. 

Bij eventuele klimaatveranderingen is het van belang om de diversiteit van bomen en struiken die aangepast zijn aan de huidige omstandigheden zo groot mogelijk te houden en het autochtone plantmateriaal dat er nog is veilig te stellen en te versterken. Als het klimaat verder opwarmt, gaan uitheemse soorten nog eerder bloeien en missen ze de aansluiting met insecten voor bestuiving of als voedselbron. Als het klimaat afkoelt, kunnen soorten van zuidelijke herkomst bevriezen. Planten uit een zeeklimaat kennen bijvoorbeeld nauwelijks nachtvorst. Bomen en struiken van Nederlandse herkomst zijn beter toegerust voor het opvangen van deze schommelingen in bloeitijd en temperatuur en blijven hun natuurlijke ritme volgen. Autochtone planten hebben dus ook bij klimaatverandering een langere levensverwachting. 

Exoten 

Door vergelijkbare klimatologische omstandigheden in andere gebieden van de wereld, kunnen sommige planten die niet van nature in ons land voorkomen hier toch aarden. Zolang ze niet schadelijk zijn voor de inheemse soorten, kunnen exoten een mooie aanvulling zijn in onze tuinen. Sommige exoten zijn hier inmiddels helemaal ingeburgerd en groeien zelfs in het wild. Andere soorten zijn veel recenter geïntroduceerd in ons land. Die soorten worden nauwlettend gemonitord, om te voorkomen dat ze onze eigen wilde soorten niet gaan overheersen. Want als de natuurlijke vijanden en ziekten van de exoten in hun nieuwe habitat ontbreken, kunnen ze gaan woekeren. Deze zogeheten ‘invasieve exoten’ veroorzaken soms grote problemen in de natuur. Voorbeelden van invasieve exoten (die je dus niet moet aanplanten in je tuin), zijn: Gele Bieslelie, Reuzenbalsemien, Reuzenberenklauw, Japanse Duizendknoop, Amerikaanse Vogelkers en Trosbosbes. 

Invasieve exoten: Japanse Duizendknoop, Reuzenberenklauw en Reuzenbalsemien


« 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.